Een beweegbare brug die in het horizontale vlak kan draaien om een verticale as.

De brug kan gelijkarmig of ongelijkarmig zijn. In het laatste geval wordt de korte arm t.b.v. het evenwicht extra geballast. Dit brugtype wordt zowel voor spoorbruggen als voor wegverkeersbruggen toegepast.
Om te kunnen draaien, rust de draaibrug op één punt: de taats of draaispil. De brug moet daarvoor in evenwicht zijn, hetgeen door ballasten kan worden bereikt. Grotere draaibruggen worden voor het evenwicht voorzien van steunrollen of –wielen die bij het draaien van de brug op de draaipijler over een ronde baan meedraaien.
In gesloten toestand gedraagt de draaibrug zich als een vaste brug. De brug rust dan met de twee uiteinden op de landhoofden en met zijn draaipunt op de taats.
Omdat de brugconstructie tijdens het draaien onder haar eigen gewicht doorbuigt,  wordt ervoor gezorgd dat de bruguiteinden bij het sluiten bóven de opleggingen op de landhoofden uitkomen. Bij grote bruggen wordt de brug allereerst vergrendeld, zodat hij niet meer kan draaien (vooral belangrijk bij spoorbruggen) en vervolgens worden beide uiteinden met een apart opzetmechanisme opgetild en op het niveau van de aansluitende weg of rails gebracht, waardoor het respectieve deel van het bruggewicht op de landhoofden komt te rusten en ook de mobiele belasting daarheen wordt afgevoerd. Bij sommige bruggen volstaat het om één uiteinde op te zetten, waardoor de brug licht over de spil kantelt en na het opzetten van één uiteinde, met beide uiteinden op de landhoofden komt te rusten (b.v. draaibrug Sluiskil). Er zijn overigens veel alternatieve manieren van opzetten, al dan niet in combinatie met het vergrendelen van de brug.

draaibrug1