Zoeken in Bruggen

Het gebruik van sabbatspalen en ‘Jodenkettingen’

door drs. M.M. Bakker

dec 08 01
Nog in 1966 schreef J.H. Kruizinga in het tijdschrift Ons Amsterdam dat er op tien plaatsen rondom de stad wat geheimzinnige paaltjes staan waaraan opgerolde kettingen hangen. Deze kettingen gaven de grenzen aan waarbinnen op sabbat en de joodse feestdagen de gelovige joden moesten blijven, het zogenaamde ‘eroev techoemien’, de loopgrens op sabbat. Een bijzondere vorm van straat- en brugmeubilair.
Om de sabbatdag te gedenken schrijft de joodse wet onder meer voor dat het vervoer van zaken naar buiten de gemeente gelegen plaatsen verboden is. Hierbij wordt verwezen naar Exodus 16 vers 29 en Jeremia 17, vers 21 en 22: “Hij zegt: Wacht u er wel voor, op de sabbat door de poorten van Jeruzalem lasten binnen te dragen. Ge moogt op de sabbat ook geen lasten uw huis uit dragen of ander werk doen. De sabbat moet heilig zijn voor u, zoals Ik uw voorvaderen heb geboden.” Nu maakte men al spoedig een onderscheid tussen het zogenaamde ‘publieke terrein’ en het ‘particuliere terrein’. Het eerste – resjoet harabiem - is niet afgesloten, openbaar en voor iedereen toegankelijk, bijvoorbeeld een straat. Het tweede – resjoet hajachied – is bijvoorbeeld een binnenplaats. Voor zo’n particulier terrein golden opvallende minimum-afmetingen. Het moest minstens vier handbreedten (35 à 36 cm) lang en breed zijn en de wanden moesten minstens tien handbreedten hoog zijn.dec 08 02
Er mochten dus geen voorwerpen vervoerd worden van een afgesloten naar een niet afgesloten gebied en omgekeerd. Met andere woorden, het was een jood op sabbat niet toegestaan buiten een omsloten gebied voorwerpen te dragen. Belangrijk is nu dat wanneer het publieke terrein langs alle toegangswegen afgesloten kan worden het volgens de joodse wet verandert in een particulier terrein. Het gevolg is dan dat daarbinnen dan wél voorwerpen gedragen mogen worden. Dit wetsvoorschrift wordt in de Talmoed omschreven. Natuurlijk waren er gemeenten met bijvoorbeeld kanalen, rivieren en singels als natuurlijke afsluitingen. Steden hadden vaak ook nog de oude omringende muren met poorten als omvamende barrière. Bijzondere ingrepen om het ‘terrein’ af te sluiten waren dan overbodig. Indien de muren ontbraken of wanneer deze in de loop der tijd waren geslecht, moest worden omgezien naar kunstgrepen.
Het was omstreeks 1863-1864 dat het Amsterdamse rabbinaat kettingen invoerde die aan de vaste bruggen over de Singelgracht bevestigd konden worden. Aan beweegbare bruggen hoefde dit immers niet want die zouden in open toestand als grens kunnen fungeren.(1) Deze sabbatskettingen of ‘jodenkettingen’ hingen met een slot en opgerold tegen de brug of aan een paal bij de brug. Men vond deze bijvoorbeeld aan de brug over de Buitensingelgracht voor het Leidseplein en bij de brug over de Nassaukade bij het Marnixplantsoen. Het moge duidelijk zijn dat de kettingen nooit daadwerkelijk over de weg gespannen werden, maar de mogelijkheid dat het in principe wel mogelijk was volstond.
Op sabbat mocht een jood de kettingen alleen passeren als hij in het geheel niets bij zich droeg, de noodzakelijke kledingstukken uitgezonderd. Deze praktijk bleek in Amsterdam met het groeien van de joodse bevolking en het uitdijen van de stad niet houdbaar; men kon zich op sabbat met geen boek of tas tussen de oude en nieuwe stad verplaatsen. In 1906 besloot men daarom de grenzen van het particulier terrein aanmerkelijk te verleggen. Men koos voor een natuurlijke grens die slechts op vier plaatsen werd onderbroken: de Amstelveenseweg, de Amsteldijk, de Weesperzijde en de Zeeburgerdijk. Ook hier werden toen weer sabbatspalen en ‘jodenkettingen’ geplaatst.
Enkele voorbeelden in Amsterdam
1. Aan het einde van de Zeeburgerdijk, tegenover nr. 234, ijzeren buis, ongeveer 1 m hoog, binnenin zit een rol ijzergaas. Aan de andere zijde staat de paal waar het uitgerolde gaas – weer in theorie – aan bevestigd kon worden.
2. Hartsvelderbrug (BRU014-P), vaste brug over de Ringvaart van de Watergraafsmeer voor de Hartsvelderweg, werd als valbrug aangelegd na de droogmaking van de Meer (1629) en zorgde voor de verbinding met Diemen. Op deze brug bevindt zich nog een vierkante sabbatspaal, midden op het trottoir, rechterzijde, tegenover café v/d/ Vuurst. Door de annexatie van de Watergraafsmeer in 1921 kon een sabbatsketting van de Schollenbrug naar deze Hartsvelderbrug worden geplaatst.
3. Symbolische afsluitingen aan de Amsteldijk (bij Rozenoord) en aan de Amstelveenseweg.
4. Bij de bouw van de Utrechtse brug over de Amstel en de Schellingwouderbrug zijn eveneens buizen gemaakt die omhoog kunnen worden geschoven, en ook een paar buizen die op het wegdek kunnen worden gezet met daaraan verbonden kettingen. Ze worden om begrijpelijke redenen echter nooit gebruikt. Dat is ook volgens de joodse gebruiken niet nodig, het is voldoende dat ze er zijn en ze de stad in theorie kunnen afsluiten.
5. Leidsebrug (BRU0174), deze vaste brug is genoemd naar de stad Leiden of naar de Leidschepoort. Ook aan deze brug was een sabbatsketting aangebracht.

(1) In 1692 deden de Portugese joden in Den Haag bij de magistratuur het verzoek om op eigen kosten vaste stenen bruggen over enkele stadsgrachten af te breken en te vervangen door ophaalbruggen. Het verzoek werd ingewilligd.

Download hier het artikel in pdf-formaat logo pdf

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn